Ik voelde druk op mijn borst.
Ik was verkouden; dat voelt verticaal.
Maar dit voelde horizontaal.
Anders dan anders.
Die ochtend reed ik desondanks gewoon naar mijn werk.
Lesgeven in het speciaal onderwijs.
Laatste dag voor de voorjaarsvakantie.
Daarna boodschappen gedaan.
Achteraf herinnerde ik me dat ik in de supermarkt vanuit het niets even duizelig werd.
Ik hield me vast aan de schappen.
Ik reed naar huis.
Half uurtje met de auto.
Had zelfs nog een klant in mijn drumwinkeltje.
Maar dat rare gevoel op mijn borst kreeg ik niet weg.
Slapen lukte niet.
In bad zitten hielp niet.
Er bleef iets in mijn borst zeuren.
Met tegenzin belde ik dan toch de huisarts.
Vrijdagmiddag na drie uur.
Bandje:
“Maandag bent u de eerste.”
OK prima, maandag.
Maar mijn niet aanwezige partner adviseerde:
“Bel een andere dokter.”
Die zei uiteindelijk:
“Bel 112.”
Dat deed ik.
Vaag gesprek.
Er was geen haast, vond de dame aan de telefoon ook.
Toch stuurde ze iemand langs met meetapparatuur.
Hij concludeerde dat de helft van mijn hart niet meer werkte.
Mijn reactie was:
“Oké, dan weet ik dat. Dank u wel. U kunt gaan.”
Maar hij belde een ambulance en vertelde me dat dat een hartaanval heette.
Of zoiets.
Lachend maakte ik een tasje klaar voor het ziekenhuis.
Toen de ambulance de straat in reed, stopten ze een meter of vijftig van mijn huis.
Ik wilde er zelf heen lopen.
Maar ik moest op een brancard.
Wat een onzin.
Ik zwaaide guitig mijn been omhoog om er theatraal op te gaan liggen.
En precies op dat moment ging ik dood.
Later hoorde ik dat ik voor mijn eigen voordeur ben gereanimeerd.
In de ambulance ging ik nóg een keer dood.

Saillant detail:
een jaar later — opnieuw de laatste dag voor de voorjaarsvakantie — overleed mijn vader.
Hij kan het niet navertellen.